Vanuit de vaste overtuiging van mijn eigen onwaardigheid, zou ik eigenlijk moeten zwijgen en mijn tekortkomingen belijden vóór God, maar alles op zijn tijd. Ik zie nu de Kerk die God op Apostelen en Profeten baseerde, met als hoeksteen Christus Zijn Zoon, op een onstuimige zee geworpen, die door golven wordt geslagen, geschud en verontrust door de aanvallen van kwade geesten. Ik zie gaten in het naadloze kleed van Christus, die boosaardige mensen uiteen wilden rukken, en Zijn lichaam wordt in stukken gehakt, namelijk het woord van God en de oude traditie van de Kerk. Daarom heb ik het onredelijk geacht om te zwijgen en mijn mond te houden, met in gedachten de waarschuwing van de Schrift: -- "als je je terughoudt zal mijn ziel zich niet in je verheugen," (Heb. 10.38) en "als u het zwaard ziet neerkomen en u uw broer komt niet waarschuwen, eis ik zijn bloed op uit uw uw hand." (cf. Ez. 33.8) De vrees, dwong me toen om te spreken; de waarheid was sterker dan de majesteit van koningen. "Ik getuigde vóór u, koningen," ik hoorde de vorst David zeggen: "en ik was niet beschaamd." (Ps. 119.46) Nee, ik was nog meer opgeroepen om te spreken. Het bevel van de Koning over zijn onderdanen is almachtig. Slechts weinigen zijn er tot nu toe gevonden die, terwijl ze erkennen dat de bevoegdheid van de aardse koning van hierboven komt, zich hebben verzet tegen zijn onrechtmatige eisen.
In de eerste plaats smeek ik de Almachtige God voor wie alle dingen openbaar zijn, die mijn kleinheid en mijn waarachtige bedoeling kent, alvorens me tot de lezer te richten om de woorden van mijn mond te zegenen, en me toe te staan om mijn mening te beteugelen en over te laten aan zijn leiding, rechtdoor te lopen in Zijn tegenwoordigheid, niet overhellend naar een aannemelijke rechterhand, noch de linkerhand te kennen.
Vervolgens vraag ik alle mensen van God, de gekozenen tot Zijn koninklijk priesterschap, met de heilige herder van de rechtgelovige kudde van Christus, die in zijn eigen persoon Christus’ priesterschap vertegenwoordigt, om mijn verhandeling met vriendelijkheid te ontvangen. Zij moeten niet bij mijn onwaardigheid stil blijven staan, ook niet naar taalvaardigheid zoeken, want ik ben me maar al te bewust van mijn tekortkomingen. De gedachten zelf moeten ze overwegen. Het koninkrijk van hemel bestaat niet uit woorden maar uit daden. De strijd is niet mijn zaak. Ik hef een hand op die vecht voor de waarheid, een gewillige hand die onder Gods leiding staat. Vertrouwend, op de wezenlijke waarheid als mijn steun, zal ik op mijn onderwerp ingaan.(wordt vervolgd....)