In een gemeenschappelijke bepaling van Lutheranen en Orthodoxen werden te Helsinki de besluiten over de natuur van Christus en de verering van iconen herbevestigd:

Het Zevende Oecumenische Concilie, het Tweede Concilie van Nicaea in 787, dat het iconoclasme verwierp en verering van iconen in de kerken herstelde, was geen onderwerp dat in de traditie van de Reformatie geland was.

Lutheranen verwierpen echter het iconoclasme van de 16de eeuw, en bevestigden het onderscheid tussen bewondering toeschrijven aan de Drieene God alleen en alle andere vormen van verering.

Door historisch onderzoek werd dit concilie beter bekend. Niettemin heeft het niet de zelfde betekenis voor Lutheranen als voor Orthodoxen. Maar toch zijn Lutheranen en Orthodoxen het erover eens dat het Tweede Concilie van Nicaea het christologisch onderricht van de vroegere concilies bevestigt en dat het in het voortzetten van de rol van beelden (iconen) in het leven van de gelovigen de werkelijkheid van de incarnatie van het eeuwige Woord van God opnieuw wordt bevestigt, wanneer het verklaart:

“ hoe vaker Christus, Maria, de Moeder van God, en de heiligen in een verbeelde voorstelling worden bekeken, des te levendiger worden zij die deze afbeelding aanschouwen gericht naar de oorspronkelijke realiteiten ervan.

Tevens wordt het verlangen steeds meer naar hen gekeerd en zal men ertoe komen hen te kussen en hen de passende eer te bewijzen. Echter niet om deze afbeeldingen werkelijk te aanbidden. Volgens ons geloof komt dit enkel aan God zelf toe. Zo wordt aan de Afgebeelde eer gebracht door de afbeeldingen, zoals deze van het kostbaar en levenwekkende kruis, ook aan de heilige evangeliën en de overige heilige gedenktekens.” (Definitio van het Tweede Concilie van Nicaea).