Mgr. dr. J.M. Punt
Bisschop van Haarlem
“
De Da Vinci Code
Op
17 mei gaat de film over de ‘Da Vinci Code’ wereldwijd in première. Het boek
bereikte ongekende oplages. Van de film wordt hetzelfde verwacht. Het is een
soort ‘Harry Potter effect’. Mensen smullen tegenwoordig van magie, geheimen
en intriges.
Geen groot probleem, ware het niet dat Dan Brown zijn boek begint met de stelling
dat alles waarheidsgetrouw is. Niets is minder waar. Meer dan 90% is pure fictie.
Zo zei Umberto Eco, bekend historicus en schrijver: “Als men u vanuit de
Katholieke Kerk zegt dat alle beweringen in de Da Vinci Code onjuist zijn, geloof
het dan maar…”
Het
boek gaat over een complottheorie:
De Kerk heeft de waarheid over Jezus Christus uit mannelijk machtsdenken verdraaid:
Jezus was niet de Zoon van God, die uit de dood is opgestaan, maar gewoon een
verlicht mens die getrouwd was met Maria Magdalena.
Uit deze relatie is een kind geboren, Sarah. Via haar zette de bloedlijn van
Jezus zich voort. Dat is het Heilig Bloed, of de heilige Graal, die al eeuwen
lang de verbeelding van mensen prikkelt. Een geheim genootschap, waartoe Leonardo
da Vinci behoorde, bewaakte dit geheim. Om represailles van de machtige Kerk
van zijn tijd te ontlopen, heeft hij deze kennis verborgen in zijn schilderijen,
vooral in ‘Het Laatste Avondmaal’ en in de ‘Mona Lisa’.
De
naam ‘Mona Lisa’ zou een geheime code bevatten.
Feit is echter dat niet Leonardo die naam bedacht heeft, maar deze pas in de
19e eeuw aan het schilderij is gegeven.
De Godheid van Jezus Christus zou het resultaat zijn van een stemming op het
Concilie van Nicea (325), “ met tamelijk kleine meerderheid” , en onder
druk van keizer Constantijn.
Feit is echter dat alle 200 aanwezige bisschoppen, op twee na, het geloof van
de traditie bevestigden dat de Zoon “van dezelfde natuur was als de Vader”,
dus waarlijk God én waarlijk mens. Deze traditie gaat terug op het getuigenis
van de apostelen zelf. Ze is in de oudste christelijke geschriften al te vinden,
en door de vroegste kerkvaders, Clemens van Rome (eind 1e eeuw), Ignatius van
Antiochië (begin 2e eeuw), Justinus (helft 2e eeuw) etc., al uiteengezet. Daarop
heeft Keizer Constantijn geen enkele invloed gehad.
Voor een huwelijk van Jezus met Maria Magdalena - daarover zijn alle theologen
en historici, christelijk of niet, het eens – bestaat geen enkel bewijs.
Het is ondoenlijk om alle onwaarheden op te sommen. Wie hier meer over wil weten
kan aanklikken op de website van de Amerikaanse bisschoppenconferentie www.Jesusdecoded.com
Ook zijn over dit thema uitstekende boeken verschenen, zoals Josh
McDowell: de Da Vinci Code.
Maar
niet alleen de Da Vinci Code kan mensen in hun geloof in verwarring brengen.
Plotseling duiken er ook allerlei onbekende evangelies op:
Het evangelie van Thomas, van Philippus, van Maria Magdalena, en recentelijk
van Judas. Ze geven de indruk alsof er ineens allerlei nieuwe feiten boven water
komen, die alles in twijfel trekken wat we tot nu toe gedacht en geloofd hebben.
Misschien voor sommigen wat teleurstellend, maar zo spannend is het toch ook
weer niet.
Dat er talloze oude geschriften, teksten en ook evangelies over het leven van
Jezus zijn, weten we al vanaf het begin. Het is ook logisch. Een zo uniek gegeven
als de Persoon van Jezus en de sterke groei van de jonge Kerk, bracht velen
ertoe hierover te gaan schrijven, soms generaties later, vaak zelfs honderden
jaren later. Sommigen vermengden het met hun eigen interpretaties of beschreven
het vanuit hun eigen doelstellingen.
Dat
is precies de reden dat de jonge kerk hierin moest schiften, onderscheiden wat
betrouwbaar was en wat niet .
Ze hebben dat gewetensvol en in gebed gedaan. Ze namen de óudste geschriften,
geschreven door de apostelen zelf of door hun directe leerlingen:
De eerste drie evangelies, Matteüs, Marcus en Lucas, werden geschreven tussen
53 en 63.
Het evangelie van Johannes rond het jaar 90. De Handelingen van de Apostelen
stammen ook van Lucas. De brieven van Paulus dateren al vanaf 49. Zo is het
Nieuwe Testament binnen de vroege Kerk ontstaan, niet via een complot, maar
geleid door de heilige Geest zelf.
De ‘evangelies’ die nu tevoorschijn komen zijn van later datum. Het zgn. evangelie
van Judas waarschijnlijk uit de tweede eeuw na Christus. Bisschop Ireneüs van
Lyon heeft het toen al gelezen en als een gnostieke tekst verworpen.
Gnosis
(‘Kennis’) is een denkstroming die stamt uit het vóórchristelijk heidendom.
Het is sterk dualistisch: Al het materiële, het aardse, het lichamelijke is
slecht. De mens, zijn goddelijke essentie, is hierin a.h.w. gevangen en moet
zich eruit bevrijden.
In de tweede eeuw ontstond de zgn. christelijke Gnosis. Het Christusmysterie
werd vermengd met dit heidens dualistisch denken. Zo zegt Jezus in het Judasevangelie
tegen hem: “Jij moet de mens offeren die mij bekleedt”, d.w.z. hem bevrijden
van z’n lichamelijk omhulsel. Verlossing werd een innerlijk proces van bewustwording.
Een uiterlijke Verlosser was niet meer nodig. De historiciteit van het Lijden,
de Dood en de Opstanding van Jezus werd veelal ontkend of symbolisch geduid.
De Kerk heeft hier vanaf het begin aan tegen moeten strijden.
Ook
in onze tijd bestaat deze denkrichting nog steeds in verschillende vormen.
Je vindt het terug in de Theosofie, in de Antroposofie, bij de Rozenkruisers,
in Christian Science bewegingen etc. Steeds gaat het om het verwerven van zgn.
Kosmisch bewustzijn, of Christusbewustzijn door meditatie, experiment of ritueel.
Zelf heb ik ooit jarenlang in deze kringen verkeerd en deze ideeën aangehangen.
Wat er goed aan is dat is dat het inderdaad niet genoeg is om naar het leven
van Jezus te kijken als een louter historisch gebeuren en het daarbij te laten.
Hijzelf moet ook ín ons geboren worden. Zoals Paulus schrijft: “Ikzelf leef
niet meer, Christus leeft in mij”.
Pas dan ontplooit Zijn Opstandingskracht zich ook in ons, in onze ziel, geest
én lichaam.
Maar
juist daarvoor is de historische werkelijkheid van Zijn dood en Opstanding met
ziel én lichaam de basis.
Wij zullen er in delen, heeft Hij beloofd. Verlossing is niet louter een spiritueel
bewustwordingsproces. “De hele schepping zucht in barensweeën”, zegt de Schrift.
Ook de materiële wereld, de natuur, de lichamelijkheid is door God gewild en
goed geschapen, maar door de zonde gewond.
In Christus is God zelf Zijn schepping binnengetreden. Dwars door Lijden en
Dood heen heeft Hij álles, geest en lichaam, natuur en materie, meegesleept
tot Opstanding, en in z’n diepste kern hersteld, genezen en bevrijd. Dat is
Verlossing en ze is alomvattend. Door het Bloed en de Wonden van de Heer is
dit gebeurd. In de heilige Eucharistie zijn we op unieke wijze met dit Verlossingsmysterie
verbonden en wordt het steeds weer werkelijkheid.
De
vraag is: moeten we als Christenen nu bang zijn voor dit boek en voor deze film.
Ik denk het niet. Integendeel, zeg ik met Josh McDowell, zo’n kans hebben we
nog niet gehad. Plotseling staat het evangelie van Jezus wereldwijd midden in
de belangstelling en is ineens weer spannend. Als we daar op inhaken door nu
met de ware feiten te komen, dan krijgt de evangelisatie vleugels. Uiteindelijk
wint de waarheid altijd.
” |
Dr.
Jozef Marianus Punt |
(uit Samen Kerk, mei/juni 2006) |